Terug naar blog

woensdag 7 oktober · Onderdeel van Nieuwbouw & gebiedsontwikkeling

Merwede in Utrecht: hoe je een wijk zonder auto's ontwerpt

Langs de westoever van het Merwedekanaal in Utrecht verrijst Merwede: een nieuwe stadswijk van circa zesduizend woningen, goed voor zo'n twaalfduizend bewoners, op het terrein van voormalige bedrijventerreinen. De gemeente noemt het zelf de grootste binnenstedelijke autovrije wijk van Nederland. En dat is geen slogan, het zit in de cijfers.

De eerste bouwfase van 4.200 woningen is gestart; oplevering van de hele wijk wordt rond 2030 verwacht. Wat Merwede onderscheidt van een gemiddeld nieuwbouwproject, is niet de architectuur maar de parkeerbalans die eronder ligt.

Een parkeernorm van 0,3 (en misschien nog lager)

Waar een gangbare nieuwbouwwijk buiten het centrum al snel rekent op minstens één parkeerplek per woning, hanteert Utrecht voor Merwede een norm van 0,3 plekken per woning, en die kan volgens de gemeente nog verder omlaag naar 0,2 als het mobiliteitsconcept van de wijk aantoonbaar werkt. Voor een wijk van zesduizend woningen betekent dat een fractie van het aantal auto's dat een traditionele wijk van diezelfde omvang zou huisvesten.

Auto's van bewoners en bezoekers worden vanaf de Europalaan direct de wijk uit gestuurd naar ondergrondse garages aan de rand, samen goed voor ongeveer 1.800 plekken. De rest van de wijk is voor auto's feitelijk niet toegankelijk, op een tijdelijke ontheffing na (bijvoorbeeld voor een verhuizing). Wie in Merwede woont, parkeert dus per definitie aan de rand en loopt het laatste stuk, niet voor de deur.

Mobiliteit als bedrijf, niet als bijzaak

Een wijk met zo weinig eigen parkeerplekken werkt alleen als het alternatief goed geregeld is, en dat hebben ontwikkelaars en gemeente niet aan het toeval overgelaten. Sinds januari 2023 bestaat er een apart mobiliteitsbedrijf dat vervoer binnen en naar Merwede regelt en garandeert: van deelauto's tot fietsvoorzieningen. Verderop, bij P+R Westraven en de nieuwe Mobility Hub XL in Papendorp, is aanvullende parkeer- en overstapcapaciteit voorzien.

Dat is meteen het punt waarop het beleid ook kritiek krijgt: niet iedereen kan zomaar zonder auto, bijvoorbeeld bij een beperking, en een wijk die daar strak op ontworpen is, moet daar in de uitvoering rekening mee blijven houden. De gemeente erkent dat zelf ook in haar bredere mobiliteitsvisie voor de stad: een lage parkeernorm lost het ene probleem op en verlegt meteen de aandacht naar een ander.

Voor wie er straks woont, betekent het vooral dit: de paar honderd plekken die er wél zijn, moeten veel harder werken dan in een gewone wijk. Achttienhonderd plekken voor zesduizend woningen is geen marge, het is een krappe voorraad die alleen standhoudt als hij gedeeld wordt in plaats van vast toegewezen. In een wijk met dit soort cijfers is een parkeerplek die maar door één huishouden gebruikt mag worden, feitelijk een verspilling van iets dat toch al schaars is: precies het probleem waar gedeeld gebruik voor bedoeld is.

Benieuwd wat dit voor jouw VvE of complex kan betekenen?

Neem contact op